Successie

Successie is de spontane ontwikkeling van een vegetatie. Een kale bodem in de zon bijvoorbeeld blijft niet lang onbegroeid. Al snel krijg je plantengroei. Als je niet ingrijpt, verandert deze plantengroei steeds van uitzicht en komen er steeds meer planten. De kale bodem groeit uiteindelijk helemaal dicht. Jaren later krijg je een climaxvegetatie die niet meer van uitzicht verandert. In onze contreien is dat een loofbos.

In successie volgen volgende stadia elkaar op: pioniersvegetatie, graslandvegetatie, ruigtekruidenvegetatie en uiteindelijk struweel- en bosvegetatie.

1. Pioniersvegetatie

Image
Pioniersvegetatie

Pioniers zijn overwegend eenjarige planten. Ze kiemen, groeien en produceren zaad in eenzelfde groeiseizoen. Ze vormen veel en licht zaad dat zich makkelijk verspreidt. Zo bedekken ze heel snel een naakte en verstoorde bodem. De verstoring van de bodem gebeurt bijvoorbeeld waar bomen door een storm zijn omgewaaid, of als gevolg van menselijke activiteit, bijvoorbeeld in een tuin waarvan de bodem is omgespit of gefreesd.

Bekende pioniers zijn korenbloem (Centaurea cyanus), grote klaproos (Papaver rhoeas) en echte kamille (Matricaria recutita). Die vinden we mooi in de tuin. Melganzevoet (Chenopodium album), perzikkruid (Polygonum persicaria syn. Persicaria maculosa) en harig knopkruid (Galinsoga quadriradiata) zijn ook pioniers. Deze zijn vaak ongewenst in een tuin, we vinden ze vervelend.

2. Graslandvegetatie

Image
Graslandvegetatie

Na een tijd evolueert de pioniersvegetatie naar een graslandvegetatie. Dat gebeurt meestal na één groeiseizoen. Grassen zijn meerjarig. Ze kiemen trager en wortelen dieper dan pioniersplanten. De graswortels vormen een grasmat die ondoordringbaar is voor de wortels van pioniersplanten, met als gevolg dat de pioniersplanten verdwijnen.

In een graslandvegetatie vind je naast grassen ook bloeiende graslandplanten. Grassen maken met hun wortels een soort van dichtgeweven tapijt. Als je daar nog tussen wilt, dan moet je als niet-gras heel wat in je mars hebben om je plaats te vrijwaren.

Voorbeelden van graslandplanten zijn margriet (Leucanthemum vulgare), wilde marjolein (Origanum vulgare) en diverse soorten ooievaarsbek (Geranium spp).

3. Ruigtekruidenvegetatie

Image
Ruigtekruidenvegetatie

Als het gras niet wordt gemaaid of afgegraasd, komt het in bloei. Na de bloei leggen de halmen zich plat en sterven ze af. Dat gebeurt jaar na jaar opnieuw. Het resultaat is een dik pak opeengestapeld gras waarvan de onderste laag vergaat en de bodem verrijkt. De graslandplanten worden verdrongen door ruigtekruiden: hoogopschietende kruiden die groeien op voedselrijke bodems. Ze hebben sterk ontwikkelde wortels.

Tot deze groep behoren onder andere grote brandnetel (Urtica dioica), leverkruid (Eupatorium cannabinum), harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum), boerenwormkruid (Tanacetum vulgare), moerasspirea (Spiraea ulmaria) en kattenstaart (Lythrium salicaria). Langzaamaan verdwijnen het gras en de graslandplanten.

4. Struweelvegetatie

Image
Struweelvegetatie

In de ruigte duiken zaailingen van struiken en bomen op. Hun zaden worden aangevoerd door wind, water en vogels. Er ontstaat een struweel met struiken, zoals eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) en vlier (Sambucus nigra), en de eerste bomen, zoals ruwe berk (Betula pendula), zwarte els (Alnus glutinosa) en wilgsoorten (Salix spp), schieten op.

Na verloop van tijd groeien de bomen boven het struweel uit. Door een gebrek aan licht verdwijnen de grassen en ruigtekruiden. De kruidlaag verandert en bevat nu andere planten, die lichte schaduw verdragen.

5. Bosvegetatie

Image
Bosvegetatie

De eerste bomen zijn lichtkiemers: hun zaden hebben licht nodig om te kiemen. Als deze bomen groot worden, vormen ze een bladerdek. Dat zorgt voor meer schaduw op de bodem en zo maken de lichtkiemers de weg vrij voor soorten die een schaduwrijke plek verkiezen.

Het bos evolueert van een gemengd bos met lichtboomsoorten zoals grove den (Pinus sylvestris) en soorten van berk (Betula spp) en populier (Populus spp) naar een bos met halfschaduwboomsoorten zoals boskers (Prunus avium) en es (Fraxinus excelsior). Ten slotte wordt het een bos met schaduwboomsoorten zoals beuk (Fagus sylvatica) en haagbeuk (Carpinus betulus).

De kruidlaag verandert verder en omvat nu kruidachtigen aangepast aan het leven in een bos, in de schaduw. Oud bos is in ons klimaat de climaxvegetatie, het eindpunt. Dat is een min of meer stabiel ecosysteem: het verandert niet wezenlijk. Plaatselijk kunnen open plekken ontstaan, als een boom ontwortelt bijvoorbeeld. Dan wordt successie teruggezet naar een vroeger stadium, maar beetje bij beetje probeert het zich te herstellen.